De kamer viel stil, op het hijgen van Chloé na.
Haar vingers klemden zich zo hard om Camille’s pols dat het pijn deed.
“Zeg… niets… tegen Antoine,” fluisterde ze, haar stem gebroken, haar ogen wijd open van angst.
Camille trok haar hand langzaam los, haar hartslag bonzend in haar oren. Dit ging niet meer over een vastzittende rits. Dit was iets anders. Iets dat onder de huid kroop.
“Chloé… wat is er aan de hand?” vroeg ze zacht maar dringend.
Geen antwoord.
Alleen die blik.
Alsof ze iets had gezien… iets wat daar niet hoorde te zijn.
Camille keek opnieuw naar de rug van de jurk. De initialen — V.M. — stonden er onmiskenbaar, met de hand geborduurd. Niet als een merk. Niet als een label.
Maar als een teken.
En dat kleine stukje papier…
Haar vingers bewogen bijna vanzelf. Ze trok het voorzichtig los uit de zoom.
“Niet doen!” gilde Chloé plots, opnieuw in paniek.
Maar het was te laat.
Camille vouwde het papiertje open.
Vier keer gevouwen. Oud. Licht vergeeld.
Er stond slechts één zin.
Met dezelfde donkere draad… alsof het met naald en draad geschreven was, niet met inkt.
“Als je dit draagt… weet hij waar je bent.”
De lucht in de kamer leek plots kouder.
Camille voelde een rilling langs haar rug lopen.
“Wie?” fluisterde ze.
Chloé schudde haar hoofd heftig. “Nee… nee, dit kan niet… hij zei dat het weg was… dat het voorbij was…”
“Wie zei dat?” vroeg Camille scherper.
Maar Chloé luisterde niet meer.
Ze probeerde wanhopig de jurk uit te trekken, haar handen trilden zo erg dat ze de stof amper kon vastgrijpen.
“Help me!” riep ze. “Haal het van me af!”
Camille greep de rits opnieuw vast en trok met meer kracht.
Deze keer gaf hij plots mee.
De jurk gleed van Chloé’s schouders alsof ze haar verbrandde.
Ze liet hem op de grond vallen en sprong achteruit, alsof het ding nog leefde…………….