Dante keek me nog een seconde langer aan.
Alsof hij wist dat dat niet het echte gesprek was geweest.
Toen knikte hij langzaam.
“Kom mee.”
Dat was geen verzoek.
Hij leidde me weg van de balzaal naar een stil balkon boven de stad.
Chicago schitterde onder ons in duizenden lichtjes.
Maar de spanning rond Dante voelde zwaarder dan de hele skyline.
Hij stak geen sigaret op.
Raakte geen drankje aan.
Hij keek alleen naar beneden alsof hij voortdurend berekeningen maakte die niemand anders kon zien.
“Mijn moeder praat te veel wanneer ze zich op haar gemak voelt,” zei hij uiteindelijk.
Ik voelde mijn hart sneller slaan.
“Ik weet niet waar u het over heeft.”
Hij keek me toen recht aan.
En God…
Die ogen waren gevaarlijk.
Niet omdat ze koud waren.
Omdat ze intelligent waren.
“Je bent slecht in liegen, Elena Russo.”
Mijn keel werd droog.
Ik wist niet wat veilig was om te zeggen.
Dus zei ik niets.
Dante kwam iets dichterbij.
Niet dreigend.
Maar intens genoeg dat ik iedere ademhaling voelde.
“Mijn moeder mag jou,” zei hij zacht. “Dat gebeurt zelden.”
“Ze is aardig.”
“Dat is niet waarom.”
Zijn blik zakte kort naar mijn handen.
“Jij kijkt naar mensen alsof ze echt bestaan.”
Die woorden raakten me onverwacht diep.
Want niemand had ooit zoiets tegen mij gezegd.
Niet thuis.
Niet op werk.
Niet ergens.
Voor Dante iets anders kon zeggen, ging plotseling zijn telefoon af.
Hij keek naar het scherm.
En voor het eerst zag ik echte emotie op zijn gezicht.
Woede.
Pure, onmiddellijke woede.
Hij nam op zonder zijn blik van mij af te halen.
“Wat?”
Stilte.
Toen veranderde alles.
Zijn lichaam verstijfde.
Zijn ogen werden donkerder.
“Wie heeft het gedaan?” vroeg hij ijzig.
Mijn maag draaide om.
Aan de andere kant van de lijn werd snel gesproken.
Toen zei Dante langzaam:
“Sluit alle uitgangen. Niemand vertrekt.”
Hij hing op.
Ik voelde onmiddellijk gevaar in de lucht veranderen.
Alsof de hele avond plotseling een masker verloor.
“Wat is er gebeurd?” vroeg ik zacht.
Dante keek naar mij.
En die blik maakte mijn hart sneller én banger tegelijk.
“Mijn oom is zojuist vergiftigd.”
De muziek speelde nog steeds beneden.
Mensen lachten nog steeds.
Maar ineens begreep ik waarom Sophia me had gewaarschuwd.
Dit gala was geen liefdadigheidsavond.
Het was een slagveld.
En zonder dat ik het doorhad, stond ik ineens midden tussen mensen die glimlachten terwijl ze elkaar probeerden te vermoorden.