Daria glimlachte.
“Natuurlijk. Het is jouw kamer.”
Zijn gezicht lichtte op.
Een kleine, maar echte glimlach.
Later die avond, toen Alyosha sliep, zat Daria alleen in de woonkamer.
Ze keek rond.
Dit was haar huis.
Niet alleen op papier.
Maar in gevoel.
In verantwoordelijkheid.
In keuzes.
Haar telefoon trilde.
Maxim.
Ze keek ernaar.
Lang.
Toen nam ze op.
“Dacha…” zijn stem klonk vermoeid. “Waar moet mama heen? Ze is overstuur.”
Daria sloot haar ogen even.
Niet uit zwakte.
Maar om haar kalmte te bewaren.
“Dat is niet mijn verantwoordelijkheid,” zei ze rustig.
“Hoe kun je dat zeggen?” vroeg hij. “Het is mijn moeder!”
“En Alyosha is mijn zoon,” antwoordde ze.
“En jouw stiefzoon. Maar dat leek vandaag niemand te interesseren.”
Hij zweeg.
Maar ze ging door.
“Ze heeft hem beledigd. In zijn eigen huis. En jij… jij zei dat ik me moest verontschuldigen.”
“Ze was boos!” verdedigde hij zich.
“En ik was duidelijk,” zei Daria. “Er is een verschil.”
Er viel een lange stilte.
“Ik kom morgen terug,” zei Maxim uiteindelijk. “We moeten praten.”
Daria keek naar de lege bank.
De plek waar Raisa had gezeten.
De plek waar alles was veranderd.
“Als je komt,” zei ze langzaam, “dan kom je alleen.”
Weer stilte.
Maar dit keer… zwaarder.
“En als ik dat niet doe?” vroeg hij.
Daria ademde diep in.
“Dan is dit gesprek ons laatste.”
Ze hing op.
Zonder drama.
Zonder tranen.
De volgende dag verliep rustig.
Te rustig.
Daria werkte vanuit huis.
Alyosha ging naar school.
En voor het eerst in lange tijd voelde alles… stabiel.
Om zes uur ging de deurbel.
Daria wist wie het was.
Ze liep erheen.
En opende.
Maxim stond daar.
Alleen.
Dat verraste haar.
Maar ze liet het niet zien.
“Kom binnen,” zei ze…………