Ze hield een dossier in haar hand.
— Is Wade Turner hier?
Wade stond langzaam op.
— Ja.
Ze keek naar hem alsof ze hem probeerde te herkennen.
— Ik heb uw naam gezien in het oude dossier van Emily.
Wade verstijfde.
De maatschappelijk werker sloeg het dossier open.
— U was niet alleen haar vader.
Wade zei niets.
Ze keek naar mij.
— Hij heeft destijds het ziekenhuis gevraagd om een programma te starten voor ouders die geen bezoek konden krijgen.
Ik voelde een rilling over mijn armen lopen.
Dat programma bestond nog steeds.
Het programma waardoor Wade vandaag bij ons was binnengekomen.
Maar toen sloeg de maatschappelijk werker een andere pagina om.
Haar gezicht werd ernstig.
— Er staat hier nog iets.
Wade keek haar aan.
— Wat?
Ze aarzelde.
— Emily had een tweelingbroer.
Wade liet zijn hand langzaam zakken.
De baby in zijn armen maakte een klein geluidje.
Iedereen keek naar bed negen.
De maatschappelijk werker keek naar het dossier.
Toen naar het naamloze jongetje.
En uiteindelijk naar Wade.
— Zijn naam was… Ethan Turner.
Wade werd lijkbleek.
— Dat kan niet.
— Waarom niet? vroeg ik.
Hij keek naar de baby.
Zijn ogen vulden zich met tranen.
— Omdat Ethan samen met Emily geboren is.
Niemand bewoog.
— Maar hij stierf, fluisterde Wade. — Dat hebben ze me verteld.
De maatschappelijk werker keek opnieuw naar het dossier.
— Volgens dit ziekenhuisdossier… heeft niemand ooit officieel vastgesteld dat hij overleden is.
Wade keek naar het kleine jongetje in zijn armen.
En toen zag ik iets in zijn gezicht veranderen.
Geen verbazing.
Geen verdriet.
Maar herkenning.
Hij schoof voorzichtig het dekentje iets opzij.
Aan het voetje van de baby zat een klein identificatiebandje.
Wade las de naam die erop stond.
Zijn handen begonnen te trillen.
Baby Boy Miller.
Maar onder die tijdelijke naam stond een dossiernummer.
Wade kende dat nummer.
Hij had het zeventien jaar lang bewaard.
En toen fluisterde hij:
— Dit is mijn zoon.