Toen klonk er een harde klap tegen de deur.
Mijn lichaam verstijfde.
Nog een klap.
Het hout kraakte.
Ik wist dat we niet lang meer hadden.
Toen—
In de verte.
Sirènes.
Eerst zwak.
Toen luider.
Marc stopte.
De vrouw ook.
— “Heb je iemand gebeld?” siste ze.
— “Natuurlijk niet!” beet hij terug.
Nog een sirène.
Dichterbij.
Heel dichtbij.
Paniek sloop in zijn stem.
— “Ze kunnen hier niet zijn…”
Maar ze waren er wel.
Banden piepten buiten.
Autodeuren sloegen dicht.
Stemmen.
Autoriteit.
De vrouw fluisterde, bang nu:
— “Ik ga weg. Dit is jouw probleem.”
Snelle stappen.
De voordeur ging open… en weer dicht.
Ze liet hem achter.
Marc vloekte luid.
Toen hoorde ik hem rennen.
Niet naar ons.
Naar achter.
De achterdeur.
Hij probeerde te vluchten.
Maar het was te laat.
— “POLITIE! STOP!”
Geschreeuw.
Voetstappen.
Een worsteling.
En toen—
Stilte.
Echte stilte.
Niet die zware, verstikkende stilte van angst.
Maar een lege, open stilte.
Veilig.
Er werd op de badkamerdeur geklopt.
Dit keer anders.
Stevig. Professioneel.
— “Mevrouw? Politie. Bent u binnen?”
Mijn keel voelde droog aan.
— “Ja…” fluisterde ik. “Mijn zoon… hij leeft…”
— “Blijf rustig. We openen de deur.”
Een klik……………