De klink van de voordeur draaide langzaam.
Mijn hart sloeg zo hard dat ik bang was dat hij het door de deur heen kon horen.
Lucas lag tegen me aan, zijn adem zwak maar aanwezig. Dat was het enige wat telde.
Voetstappen.
Niet één paar.
Twee.
Marc was inderdaad niet alleen teruggekomen.
Ik hield mijn adem in en luisterde.
— “Je hebt gezegd dat ze dood zouden zijn,” zei een vrouwenstem, zacht maar scherp. “Ik wil dit niet zien als ze nog leven.”
Die stem.
Het was haar.
Dezelfde stem van de telefoon.
Marc zuchtte geïrriteerd.
— “Ontspan. Het werkt. Ze bewegen niet eens.”
Hun stappen kwamen dichterbij.
De vloer kraakte net buiten de badkamer.
Mijn vingers zochten haastig iets… wat dan ook.
Mijn blik viel op de vuilnisbak naast de wastafel.
Het bericht.
“REGARDE DANS LA POUBELLE.”
Met trillende handen trok ik de zak een stukje open.
Tussen tissues en lege verpakkingen zat iets dat niet thuishoorde.
Een klein glazen flesje.
Doorzichtig.
Met een restje vloeistof.
En een etiket dat half was afgescheurd.
Maar ik kon nog net een woord lezen:
Sédatif.
Bewijs.
Mijn hart versnelde.
Dit was wat hij had gebruikt.
Dit was wat ons bijna had gedood.
Ik stopte het flesje snel in mijn zak net toen de voetstappen stopten.
Pal voor de deur.
De klink bewoog.
Op slot.
Stilte.
— “Waarom is deze deur dicht?” vroeg de vrouw.
Marc zweeg even.
Toen klopte hij.
Rustig.
— “Schat?” zei hij met een nepzachte stem. “Ik ben terug. Gaat het wel?”
Ik kneep mijn ogen dicht.
Wat een acteur.
Geen antwoord.
Hij probeerde opnieuw.
Harder deze keer.
— “Doe de deur open!”
Lucas bewoog licht.
Ik drukte mijn hand tegen de zijne.
Niet bewegen.
Niet reageren.
De vrouw fluisterde:
— “Dit klopt niet, Marc…”
Hij vloekte zacht…………..