« Als je dit leest, ben ik er niet meer om je de waarheid te vertellen. »
Ik moest even stoppen.
Mijn ogen vulden zich met tranen.
« Ik heb je mijn hele leven beschermd door tegen je te liegen. »
« Maar er komt een moment waarop de waarheid belangrijker wordt dan mijn angst. »
Ik las verder.
« Je bent niet geboren in het ziekenhuis dat ik je heb genoemd. »
Mijn adem stokte.
« Je bent geboren in dit huis. »
Ik keek naar David.
Hij keek naar de vloer.
« En de man op de foto’s was niet je vader. »
Ik liet de brief bijna vallen.
Er stond nog één zin.
« Hij was degene die je van mij wilde afnemen. »
Op dat moment hoorde ik buiten een auto stoppen.
David verstijfde.
« Wat is er? » fluisterde ik.
Hij liep naar het raam en keek voorzichtig naar buiten.
Zijn gezicht werd lijkbleek.
« Je had niet hierheen moeten komen. »
« Waarom? »
Hij draaide zich naar mij om.
« Er staat iemand buiten. »
Ik liep naar het raam.
Aan de overkant van de straat stond een donkere auto.
De motor draaide nog.
De bestuurder zat stil achter het stuur.
Toen gingen de koplampen uit.
David pakte de metalen doos.
« We moeten weg. »
« Nee. »
Ik hield de brief stevig vast.
« Ik wil weten wat er gebeurd is. »
David keek me ernstig aan.
« Dan moet je één ding begrijpen. »
Hij wees naar het rode boekje.
« Dat boekje bevat namen. »
« Welke namen? »
« Van iedereen die betrokken was bij jouw geboorte. »
Hij aarzelde.
« En één van die namen… »
Hij keek me recht aan.
« …is die van je broer. »
Ik voelde mijn maag samentrekken.
« Mark? »
David knikte.
« Je broer wist het. »
Buiten sloeg een autodeur dicht.
David keek naar de voordeur.
« En als hij hier is… »
Hij fluisterde:
« …dan weet hij dat jij de waarheid hebt gevonden. »
Op dat moment hoorde ik de sleutel in het slot van de voordeur draaien.
Iemand kwam naar binnen.
David pakte mijn arm.
« Verstop je. »
« Wie is het? »
Hij keek naar de deur.
Toen fluisterde hij:
« Je moeder heeft zich twintig jaar lang voor deze persoon verborgen. »
De deur ging langzaam open.
En een stem die ik maar al te goed kende, zei:
« Emma… we moeten praten. »