Hij stond op en liep naar het raam, keek even naar buiten voordat hij zich weer naar haar omdraaide.
“Je ex-man,” begon hij, “heeft invloed. Geld. Macht.”
Adeline voelde haar lichaam verstijven.
“Hij zal proberen terug te komen,” vervolgde de man. “Niet voor jou… maar voor de kinderen.”
“Hij wilde ze eerst niet eens,” fluisterde ze.
“Mensen zoals hij willen controle,” zei de man koel. “En drie erfgenamen… zijn waardevol.”
Een koude rilling liep over haar rug.
“En u?” vroeg ze. “Wat wilt u?”
Dit keer glimlachte hij licht. Niet warm… maar ook niet koud.
“Dat hangt af van jouw antwoord.”
Haar hart begon sneller te kloppen. “Op… wat?”
Hij kwam dichterbij, maar hield een respectvolle afstand.
“Wil je blijven vluchten,” vroeg hij zacht, “of wil je dat iemand naast je staat… en ervoor zorgt dat niemand je ooit nog zo behandelt?”
De vraag hing zwaar in de lucht.
Adeline keek naar haar handen. Zwak. Trillend.
Maar ergens diep vanbinnen… begon iets te veranderen.
Geen angst.
Iets anders.
“Ik ben moe van verliezen,” zei ze eindelijk.
Hij knikte langzaam, alsof hij precies dat antwoord had verwacht.
“Goed,” zei hij. “Dan beginnen we daar.”
“Waarmee?”
Zijn blik werd scherper.
“Met het terugnemen van wat van jou is.”
Adeline slikte.
Voor het eerst sinds alles instortte… voelde ze geen wanhoop.
Maar iets wat daar dicht bij lag.
Hoop.
En misschien… iets gevaarlijkers.
Want diep vanbinnen wist ze één ding zeker:
De man die voor haar stond… was geen toevallige redder.
Hij was een storm.
En deze keer… stond hij aan haar kant.