Alejandro—want nu was hij weer een persoon, geen dossier—probeerde te antwoorden, maar zijn stem was zwak.
Toch, zelfs terwijl iedereen om hem heen bewoog, bleef zijn blik één ding zoeken.
Haar.
Mariana voelde het.
Elke keer als ze probeerde onopvallend naar achteren te glippen, vond zijn blik haar weer.
Alsof ze een anker was in een wereld die plotseling te snel bewoog.
De uren daarna waren een waas.
Tests. Telefoontjes. Opwinding die zich door het ziekenhuis verspreidde alsof er brand was uitgebroken.
“Het is een wonder,” fluisterde iemand.
“Onmogelijk,” zei een ander.
Maar Mariana hoorde het nauwelijks.
Ze zat in de personeelsruimte, haar handen nog steeds licht trillend, starend naar een plastic bekertje koffie dat ze niet had aangeraakt.
Wat had ze gedaan?
Wat. Had. Ze. Gedaan.
Ze voelde een knoop in haar maag die steeds strakker werd. Niet alleen door de kus—maar door wat het betekende.
Hij had haar gezien.
Als eerste.
Hij had haar gevoeld.
En dat maakte alles ingewikkeld.
Heel ingewikkeld.
De deur ging open en een collega keek naar binnen. “Mariana? Ze vragen naar je.”
“Wie?”
“Hij.”
Haar hart sloeg over.
“Nee… ik denk dat—”
“Hij bleef je naam herhalen,” zei de collega zacht. “Je moet gaan.”
Toen ze terug de kamer in liep, was alles anders.
Het licht was feller. De gordijnen waren half geopend. De apparatuur leek minder dreigend, minder… definitief.
En hij—
Hij zag er nog steeds zwak uit. Breekbaar, bijna. Maar zijn ogen waren helder.
Levend.
“Mariana,” zei hij, zodra hij haar zag.
Haar naam klonk vreemd in zijn stem. Alsof hij hem proefde.
Ze liep langzaam dichterbij. “Ja. Ik ben hier.”
Er viel een korte stilte.
“Ik herinner me niets,” zei hij. “Alleen… donkerte. En toen—”
Hij stopte……………..