Heel langzaam opende ze haar ogen.
Ik schrok zo hevig dat ik achteruit stapte.
De vrouw keek naar mij.
Haar lippen bewogen.
“Wie… ben jij?”
Mijn hele lichaam begon te trillen.
“Wie bent ú?”
Ze probeerde overeind te komen, maar leek daar nauwelijks kracht voor te hebben.
Toen keek ze naar Grace.
“Je vader heeft jullie toch verteld dat ik dood was?”
Grace knikte.
“Papa zei dat je bij een ongeluk bent gestorven.”
De vrouw sloot haar ogen.
Een traan liep over haar wang.
“Ik heb geen ongeluk gehad.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Wat is hier aan de hand?”
De vrouw keek me recht aan.
“Mijn naam is Sarah.”
Sarah.
De naam die Daniel nooit had genoemd.
Ik had altijd gedacht dat de moeder van Emily en Grace simpelweg een naam uit het verleden was waar hij niet graag over sprak.
Maar ze leefde.
En ze zat opgesloten in zijn kelder.
“Waarom zit u hier?”
Sarah keek naar de deur.
“Hij zegt dat niemand mij mag zien.”
“Wie?”
Ze hoefde geen antwoord te geven.
Ik wist het al.
Daniel.
Op dat moment hoorde ik boven ons een geluid.
De voordeur.
Ik verstijfde.
Daniel was thuis.
Veel te vroeg.
Grace keek naar mij.
“Papa!”
Sarah begon plotseling te huilen.
“Nee… alsjeblieft.”
Ik pakte haar hand.
“Wat heeft hij met u gedaan?”
“Je moet luisteren,” fluisterde Sarah. “Je hebt niet veel tijd.”
Boven klonk Daniels stem.
“Lieverd? Ik ben thuis.”
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.
Sarah greep mijn pols…………..