Ik liep naar haar toe.
Achter me hoorde ik niets meer.
Geen voetstappen. Geen protest. Geen uitleg.
En dat was misschien wel het duidelijkste einde van alles.
Buiten was de regen lichter geworden.
De lucht nog steeds grijs, maar minder zwaar.
Ik haalde diep adem en voelde hoe de koude lucht mijn longen vulde, helder en echt.
“En?” vroeg mijn moeder zacht.
Ik keek even naar de hemel, daarna naar haar.
“Het is geregeld.”
Ze glimlachte, niet breed, maar warm.
We liepen samen naar de auto.
Elke stap voelde anders.
Niet lichter, niet meteen.
Maar vrijer.
In de verte hoorde ik een deur van het gerechtsgebouw opengaan, gevolgd door stemmen die ik niet meer herkende als belangrijk.
Mijn telefoon trilde opnieuw.
Een nieuw bericht.
Geen woorden deze keer.
Alleen een bevestiging van de overdracht.
Definitief.
Ik legde mijn hand weer op mijn buik.
“Wij gaan vooruit,” fluisterde ik zacht.
Niet tegen Gregory.
Niet tegen Ashley.
Maar tegen het leven dat nog moest beginnen.
En voor het eerst die dag voelde de toekomst niet als iets dat me werd afgenomen—
maar als iets dat eindelijk van mij was.