HISTOIR 1243

“Wat?”

“Hij heeft zijn persoonlijke spullen uit zijn locker gehaald.”

Ik voelde mijn knieën slap worden.

“Dat kan niet.”

De Vries keek me ernstig aan.

“Hij heeft ook een brief achtergelaten.”

Mijn adem stokte.

“Een brief?”

Hij knikte.

“Voor jou.”

Mijn hand begon te trillen.

“Waar is die?”

De Vries aarzelde.

“Thuis.”

“Thuis?”

“Daan heeft hem gisteravond aan een collega meegegeven met de instructie dat hij hem pas aan jou mocht geven als hij niet meer terugkwam.”

Ik staarde hem aan.

“Niet meer terugkwam?”

Niemand sprak.

Toen voelde ik mijn telefoon trillen.

Een bericht.

Van Daan.

Ik opende het meteen.

“Sanne, als je vandaag naar de kazerne bent gegaan, dan weet je inmiddels dat ik je iets heb verzwegen.”

Mijn hart bonkte.

Er kwam een tweede bericht.

“Ga alsjeblieft niet alleen naar huis.”

En daarna:

“Vraag De Vries naar de brand van 14 maart.”

Ik keek op.

“Wat gebeurde er op 14 maart?”

De commandant werd bleek.

Hij wist precies waarover Daan het had.

“Dat was de brand in het oude appartementencomplex aan de Havenstraat.”

“Waarom moet ik daar iets over weten?”

De Vries keek naar zijn collega’s.

Toen sloot hij de deuren van de remise.

“Die brand was officieel een ongeluk.”

“Officieel?”

Hij knikte langzaam.

“Maar Daan geloofde dat niet.”

Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.

“Wat bedoel je?”

“Hij beweerde dat iemand het gebouw opzettelijk in brand had gestoken.”

Ik dacht aan Daan.

Aan de keren dat hij de afgelopen maanden midden in de nacht wakker was geworden.

Aan zijn vreemde telefoongesprekken.

Aan de keren dat ik vroeg wat er aan de hand was en hij antwoordde:

“Niets. Gewoon werk.”

Ik had hem geloofd.

De commandant haalde een tweede dossier tevoorschijn.

“Daan heeft wekenlang onderzoek gedaan naar die brand.”

“Maar waarom?”

De Vries keek me recht aan.

“Omdat hij op camerabeelden iets zag wat niemand anders had opgemerkt.”

“Wat?”

Hij antwoordde niet.

Hij draaide het dossier naar me toe.

Op de eerste pagina stond een foto van het uitgebrande gebouw.

En onderaan stond een datum.

14 maart.

Daaronder stond één naam.

Ik kende die naam.

Mijn gezicht liep leeg.

Want het was niet de naam van een onbekende.

Het was de naam van iemand die al jaren deel uitmaakte van ons leven.

Ik keek naar De Vries.

“Dit kan niet.”

Hij knikte langzaam.

“Daan dacht precies hetzelfde.”

Toen trilde mijn telefoon opnieuw.

Deze keer was het geen bericht.

Het was een onbekend nummer.

Ik nam op.

Een mannenstem zei slechts:

“Als u uw man nog levend wilt terugzien, moet u onmiddellijk stoppen met vragen stellen.”

De lijn werd verbroken.

Ik keek naar commandant De Vries.

Hij hoefde niets te zeggen.

Aan zijn gezicht zag ik dat hij begreep wat er zojuist was gebeurd.

Daan was niet zomaar verdwenen.

Iemand had hem laten verdwijnen.

Laisser un commentaire