Daniel bleef midden op de stoep staan.
De regen tikte zachtjes op zijn jas, maar hij voelde de kou niet meer.
Hij keek naar de plek waar Rebecca was verdwenen.
Toen keek hij opnieuw naar het kleine meisje.
Vier jaar oud.
Een roze mutsje.
Een veel te grote jas.
En die ogen…
Die ogen kende hij.
Hij had ze duizenden keren in de spiegel gezien.
“Wie ben jij?” vroeg hij zacht.
Het meisje keek hem wantrouwig aan.
Rebecca draaide zich onmiddellijk om.
“Ga weg, Daniel.”
Hij slikte.
“Rebecca…”
“Ga. Weg.”
“Wie is zij?”
Rebecca trok het meisje dichter tegen zich aan…………………