Zijn antwoord maakte me pas echt bang.
Hij schreef:
“Blijf uit de buurt. Probeer ze niet zelf te verwijderen. Controleer vooral of er ergens in of onder je woning een nest zit.”
Ik keek opnieuw naar de kier onder de deur.
Toen zag ik iets wat ik eerder niet had opgemerkt.
Tussen de kleine insecten lag een veel groter, donker lichaam.
Ik wist niet wat het was.
Maar één ding wist ik zeker:
wat ik die middag in het gras had gezien, was niet zomaar een verdwaalde groep insecten.
En blijkbaar waren ze niet alleen mijn tuin binnengekomen…
Ze waren mijn huis binnengekomen.
Die nacht heb ik geen oog dichtgedaan.
De volgende ochtend kwam de deskundige langs.
Hij inspecteerde de tuin, tilde enkele planken van het terras op en bleef plotseling doodstil staan.
Toen keek hij naar mij.
“U heeft geluk gehad,” zei hij.
“Waarom?”
Hij wees naar de donkere ruimte onder het terras.
Daar zat een enorm nest.
En het vreemde wezen dat ik eerst voor een slang had aangezien, was volgens hem slechts het zichtbare deel van iets dat zich al langere tijd onder mijn tuin had verstopt.
Sindsdien kijk ik nooit meer achteloos naar iets dat door het gras beweegt.
Want soms is iets wat op een touw lijkt…
precies het laatste wat je wilt ontdekken.