“Misschien zijn ze naar een speeltuin gelopen?”
Zijn glimlach verdween.
“Dat doen ze nooit zonder toestemming.”
Hij kwam een stap dichterbij.
“Mag ik even in je vuilnisbak kijken?”
Mijn maag draaide zich om.
“Waarom?”
“Misschien hebben ze zich ergens verstopt.”
Ik voelde mijn handen trillen.
Toen hoorde ik plotseling een geluid achter hem.
De voordeur van zijn huis ging opnieuw open.
Een vrouw kwam naar buiten.
Zijn vrouw.
Ze keek naar haar man en zei iets wat ik niet kon verstaan.
Hij draaide zich om.
Dat was mijn enige kans.
Ik pakte de vuilnisbak vast en reed hem snel richting mijn garage.
“Sorry,” zei ik. “Ik moet mijn spullen opruimen.”
Hij bleef me aankijken.
Maar uiteindelijk liep hij terug naar zijn huis.
Zodra de garagedeur achter me dichtviel, deed ik het deksel open.
De twee meisjes sprongen eruit.
“Waar kunnen we heen?” vroeg ik.
De oudste keek me recht aan.
“Niet naar de politie.”
“Waarom niet?”
Ze wees naar haar zusje.
“Hij zei dat de politie hem helpt.”
Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.
“Wie is hij?”
Het meisje begon te huilen.
“Onze vader.”
Ik ging op mijn knieën zitten.
“Maar hij woont naast mij.”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat is niet ons huis.”
Ik begreep er niets van.
Toen wees ze naar haar eigen pols.
Daar zat een klein rood bandje om.
“Hij heeft ons meegenomen…………