En deze keer voelde ze het duidelijker.
Alsof iets in haar… reageerde.
Alsof dat symbool niet nieuw was.
Alsof ze het ooit eerder had gezien.
Lang geleden.
Of misschien… helemaal niet zo lang geleden als ze dacht.
“Élise…” zei ze zacht.
“Ja?”
“Waarom keek je naar buiten… toen ik binnenkwam?”
De vrouw verstijfde heel even.
Bijna onzichtbaar.
Toen draaide ze zich langzaam terug.
En glimlachte opnieuw.
Maar deze keer… bereikte die glimlach haar ogen niet helemaal.
“Omdat,” zei ze rustig, “sommige kinderen… niet per toeval verdwalen.”
De woorden waren zacht.
Maar zwaar.
Léa zei niets meer.
Ze trok de deken dichter om zich heen en keek naar het vuur.
Maar slapen… lukte niet.
Niet echt.
Want diep vanbinnen begon iets te groeien.
Een vraag.
Een gevoel.
En misschien…
een herinnering die nog niet helemaal wakker was.
Buiten, in de duisternis, reed ver weg een auto langzaam over de modderige weg.
Niet richting het huis.
Maar ook niet helemaal weg.
Alsof iemand… zeker wilde weten dat het kind gevonden was.
En binnen, achter de gesloten kastdeur, lag de houten doos stil.
Wachtend.
Alsof ze wist dat Léa vroeg of laat zou begrijpen… dat ze niet zomaar was achtergelaten.
Maar gebracht.