Mateo knikte.
“Brancard. Nu.”
Binnen seconden werd Valeria voorzichtig opgetild. Ze protesteerde zwakjes, maar haar lichaam gaf het bijna op.
Toen ze naar buiten werd gedragen, zag ze de zwarte auto die op hen wachtte. Luxe. Stil. Machtig.
Ze werd op de achterbank gelegd, Mateo naast haar.
De auto reed meteen weg, tegen het verkeer in.
“Niet naar dat ziekenhuis…” zei ze zwak. “Niet naar hem…”
Mateo keek haar recht aan.
“We gaan niet naar hem. We gaan naar mijn ziekenhuis.”
Haar ogen openden zich iets wijder.
“Jouw…?”
Maar ze had geen kracht meer om haar zin af te maken.
De volgende minuten vervaagden.
Lichten.
Stemmen.
Beweging.
Tot alles zwart werd.
—
Toen Valeria haar ogen weer opende, was alles stil.
Geen verkeer.
Geen regen.
Geen geschreeuw.
Alleen het zachte piepen van medische apparatuur.
Ze lag in een privékamer.
Schoon. Warm. Veilig.
Haar hand bewoog instinctief naar haar buik.
“De baby’s…” fluisterde ze paniekerig.
“Rustig,” klonk een bekende stem.
Mateo zat naast haar bed.
Nog steeds in hetzelfde pak.
Alsof hij niet één seconde was weggegaan.
“Ze leven. Alle drie. De artsen hebben de weeën gestopt. Je moet nu alleen rusten.”
De spanning in haar lichaam brak.
Tranen stroomden over haar wangen.
“Hij was daar… hij wilde… hij zei dat ik ze niet mee zou nemen…”
Mateo leunde iets naar voren.
“Hij is nooit in de buurt van jou of de kinderen gekomen.”
Ze fronste.
“Wat bedoel je?”
Mateo’s blik werd ijskoud.
“Toen hij aankwam in dat ziekenhuis, stond hij niet tegenover dokters die hij had ingehuurd.”
Hij pauzeerde even.
“Hij stond tegenover mijn juridische team.”
Valeria probeerde rechtop te komen.
“Wat…?”
“Santiago had alles voorbereid om jou onbekwaam te verklaren,” ging Mateo verder. “Valse rapporten. Gekochte handtekeningen. Alles…………….