Angst voor hem.
Voor de waarheid.
“Daarom schreeuwde ze,” fluisterde ik.
Elias knikte.
“Ze dacht dat ik teruggekomen was om haar aan te geven.”
Een zware stilte viel tussen ons.
Toen pakte hij plots mijn hand vast.
“Mamá… ik moet weten.”
Zijn stem brak.
“Wist jij iets?”
De pijn in die vraag sneed dieper dan alles daarvoor.
Ik greep zijn gezicht vast tussen mijn handen.
“God nee,” fluisterde ik huilend. “Nooit.”
Hij sloot zijn ogen.
En voor het eerst sinds ik hem zag, leek hij weer even mijn jongen.
Niet een opgejaagde man.
Niet een overlevende.
Gewoon mijn zoon.
Maar de rust duurde niet lang.
Zijn telefoon begon plots te trillen op tafel.
Hij keek naar het scherm.
En verstijfde.
“Wat is er?” vroeg ik.
Heel langzaam draaide hij het scherm naar mij toe.
Een onbekend nummer.
Maar het bericht was kort.
Ik weet dat je leeft.
Deze keer maak ik het af.
Mijn adem stokte.
Elias keek direct naar de deur van het café.
Toen stond hij abrupt op.
“Mamá,” zei hij scherp. “We moeten nu weg.”
“Waarom?”
Maar hij luisterde al niet meer.
Buiten, aan de overkant van de straat, stond een zwarte auto geparkeerd.
Motor draaiend.
Donkere ramen.
En achter het stuur…
…zat Valentina.