‘Dat slaat nergens op.’
‘Hij kende u beter dan u denkt.’
Ik keek op.
‘Hij kende mij amper.’
‘Hij kende u toen u zes was.’
Die zin trof me.
De advocaat vervolgde:
‘Uw vader heeft jarenlang informatie over u verzameld. Hij wist in welke pleeggezinnen u had gewoond. Hij wist waar u naar school ging. Hij wist zelfs dat u op zestienjarige leeftijd een paar maanden in een opvangcentrum hebt gewoond.’
Mijn keel werd droog.
‘Dus hij hield me in de gaten?’
‘Ja.’
‘Waarom heeft hij me dan nooit opgezocht?’
De advocaat keek naar zijn handen.
‘Omdat hij dacht dat hij u daarmee zou beschadigen.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Dat deed hij ook door weg te blijven………….