Ik boog nog dichter naar hem toe.
Zijn stem was nauwelijks hoorbaar.
‘Ster…’
Ik verstijfde.
‘Sterling?’
Een zwakke beweging van zijn vingers.
Ja.
Ik keek naar de deur.
Sterling Kane.
Zijn eigen neef.
De man die mij had gedwongen met hem te trouwen.
De man die had beloofd alle medische kosten van mijn moeder te betalen.
Ik voelde een koude rilling.
‘Waarom?’
Everett probeerde opnieuw te praten.
‘Geld.’
Dat ene woord kostte hem zichtbaar al zijn kracht.
‘Hij wil je bedrijf?’
Everett schudde heel langzaam zijn hoofd.
‘Alles.’
Ik keek naar de monitor.
Zijn hartslag steeg.
‘Je hele vermogen?’
Een kleine beweging.
‘En…?’
Hij kneep opnieuw.
Ik wist dat hij wilde zeggen dat er meer was.
Maar toen hoorde ik voetstappen in de gang.
Ik trok de deken recht en deed alsof ik zijn hand alleen maar vasthield.
De deur ging open.
Whitfield verscheen.
‘Alles in orde?’
Ik glimlachte.
‘Ja. Hij lijkt rustig.’
Whitfield keek naar de monitor.
Zijn blik bleef een seconde te lang op Everetts hand rusten.
Toen kwam hij dichterbij.
‘Je mag hier niet alleen aan zijn bed zitten.’
‘Ik ben zijn vrouw.’
‘Je bent een verpleegkundige zonder licentie.’
Zijn woorden waren koud.
Ik keek hem aan.
‘En jij bent een arts die gisteren een medicijn toediende zonder het te documenteren.’
Zijn gezicht verstrakte.
‘Waar heb je het over?’
‘Ik heb het ampulnummer genoteerd.’
Hij zei niets.
Ik ging verder.
‘En ik heb alle veranderingen in Everetts vitale functies bijgehouden.’
Hij kwam dichterbij.
‘Je begrijpt niet waar je mee speelt.’
‘Dat weet ik inmiddels wel.’
Hij keek me lang aan.
Toen glimlachte hij.
‘Je bent slimmer dan ik dacht.’
‘Dat is het eerste vriendelijke wat je ooit tegen me hebt gezegd.’
Hij draaide zich om.
Bij de deur bleef hij staan.
‘Je moet oppassen voor Sterling.’
Ik keek hem verbaasd aan.
‘Waarom waarschuw je me?’
Hij antwoordde zonder zich om te draaien.
‘Omdat je binnenkort misschien de enige persoon bent die tussen hem en alles wat Everett bezit staat.’
Daarna liep hij weg.
Ik bleef onbeweeglijk zitten.
Een minuut later opende Everett langzaam zijn ogen.
Heel even maar.
Maar het was genoeg.
Hij keek recht naar mij.
‘Je…’
Zijn stem was nauwelijks hoorbaar.
‘…bent niet… zijn type.’
Ik moest lachen door mijn tranen heen.
‘Je kunt praten.’
Hij sloot zijn ogen weer.
‘Niet lang.’
Ik pakte zijn hand.
‘Dan luister jij. Ik praat.’
Hij knikte zwak.
Ik vertelde hem alles wat ik had ontdekt.
Over Whitfield.
Over de medicijnen.
Over Sterling.
Over mijn onderzoek.
Toen vroeg ik:
‘Waarom hebben ze mij uitgekozen?’
Everett opende opnieuw zijn ogen.
‘Omdat…’
Hij ademde moeilijk.
‘…jij niemand hebt.’
Die woorden deden pijn.
‘Dat is niet helemaal waar.’
Hij keek me aan.
‘Je hebt mij.’
Ik voelde mijn keel dichtknijpen.
Daarna zei hij:
‘En je licentie.’
Ik fronste.
‘Mijn licentie?’
‘Die is gestolen.’
Mijn hart sloeg over.
‘Wat?’
Everett wilde zijn hoofd bewegen, maar kreeg het nauwelijks omhoog.
‘Jouw handtekening…’
‘Wat ermee?’
‘Het dossier… was vervalst.’
Ik dacht aan drie jaar geleden.
De patiënt die was overleden.
De medicatie die ik nooit had toegediend.
De handtekening waardoor mijn hele leven instortte.
‘Wie heeft het gedaan?’
Everett keek me recht aan.
‘Whitfield.’
Ik voelde mijn hele lichaam verstijven.
‘Waarom?’
‘Omdat hij…’
Hij stopte.
Zijn hartslag schoot omhoog.
De monitor begon te piepen.
Ik drukte onmiddellijk op de alarmknop.
De deur vloog open.
Verpleegkundigen stormden binnen.
Whitfield kwam achter hen aan.
‘Wat is er gebeurd?’
Ik keek naar Everett.
Hij had zijn ogen weer gesloten.
Maar zijn hand hield de mijne nog steeds vast.
Whitfield keek naar onze handen.
Toen keek hij naar mij.
Hij wist het.
Hij wist dat Everett wakker was geworden.
En in dat ene moment begreep ik wat er werkelijk op het spel stond.
Het ging niet alleen om een fortuin.
Niet alleen om een bedrijf.
Sterling en Whitfield hadden jarenlang mensen vernietigd om controle te krijgen.
En ik was niet langer een toevallige vrouw die in hun plan was beland.
Ik was de enige getuige die Everett vertrouwde.
Later die nacht vond ik onder Everetts matras een klein zwart notitieboek.
Op de eerste pagina stond zijn handschrift.
“Als ik ooit wakker word, vertrouw dan niemand die zegt dat mijn coma een ongeluk was.”
Daaronder stond slechts één naam.
Clarissa.
Mijn eigen naam stond ernaast.
En precies daaronder had Everett één zin geschreven:
“Zij is mijn laatste kans.”