Toen de speeches begonnen, voelde de zaal steeds warmer aan.
Niet gezellig warm.
Verstikkend warm.
Het soort warmte dat ontstaat wanneer tweehonderd mensen te hard lachen, te veel champagne drinken en wanhopig proberen belangrijk over te komen.
Vanaf Tafel Negentien keek ik toe hoe Caleb genoot van ieder moment.
Hij stond naast zijn nieuwe vrouw Sophia alsof hij auditie deed voor het perfecte leven. Zijn hand rustte voortdurend op haar rug, zijn glimlach glom onder het licht van de kroonluchters, en telkens wanneer iemand van Nebula naar hem keek, groeide hij zichtbaar een paar centimeter.
De kleine jongen naast me trok aan mijn mouw.
“Wil je nog een dinosaurus tekenen?”
“Altijd,” zei ik.
Dus terwijl mijn broer zichzelf verkocht aan de elite van de techwereld, tekende ik een T-Rex met lasers uit zijn ogen op een servet.
Eerlijk gezegd voelde dat nuttiger.
Toen gingen de grote deuren van de balzaal open.
De hele ruimte veranderde.
Je voelde het letterlijk.
Gesprekken stokten.
Mensen draaiden zich om.
Zelfs de serveerders gingen rechter lopen.
Silas Vance was gearriveerd.
Hij liep niet binnen zoals rijke mannen normaal doen. Geen overdreven glimlach. Geen entourage van pratende assistenten. Geen theater…………