Niet omdat het meisje iets bijzonders deed.
Niet omdat ze me aankeek.
Maar omdat ik die armband kende.
Het was een dun koordje van verbleekte blauwe en groene draadjes, met in het midden een klein, scheef hartje. Het was slordig gemaakt. De knoopjes waren ongelijk. Eén draadje stak nog steeds een beetje uit, precies zoals ik het ooit had achtergelaten.
Mijn hart begon zo hard te bonzen dat ik dacht dat ik flauw zou vallen.
Die armband had ik gemaakt.
Voor Babs.
Ik had hem voor haar gevlochten in het weeshuis, op een regenachtige middag toen ze niet kon slapen. Ik had de draadjes gekregen van een oudere jongen die ze uit een kapotte armband had gehaald. Ik had mijn vingers pijn gedaan om hem strak te krijgen.
“Dan weet je dat ik altijd bij je ben,” had ik gezegd terwijl ik hem om haar pols knoopte.
Ze had hem wekenlang gedragen. Zelfs toen hij begon te rafelen.
Ik had die armband nooit meer gezien.
Tot nu.
Mijn benen wilden niet bewegen. Mijn handen trilden. Ik voelde me ineens weer acht jaar oud.
Het meisje pakte uiteindelijk een doos koekjes en draaide zich om. Ze liep recht langs me heen zonder me op te merken.
Ik draaide me langzaam om en volgde haar met mijn blik.
“Rustig,” fluisterde ik tegen mezelf. “Het is toeval. Het moet toeval zijn.”
Maar diep vanbinnen wist ik dat dit geen toeval was.
Bij de kassa stond een vrouw te wachten. Begin veertig misschien. Donker haar. Zelfde zachte kaaklijn die ik kende van mijn eigen spiegel.
Het meisje liep naar haar toe.
“Mam, mag ik deze?” vroeg ze.
Mam.
Mijn adem stokte.
De vrouw keek naar haar pols. “Heb je dat armbandje nog om? Dat is oud hoor.”
Het meisje glimlachte. “Ik doe hem nooit af. Oma zei dat hij speciaal was.”
Oma.
Mijn hoofd tolde.
Ik kon dit niet negeren.
Niet nog eens.
Toen ze klaar waren met betalen, liep ik hen achterna naar buiten. Mijn hart bonkte in mijn keel.
“Sorry,” zei ik, mijn stem dun. “Mag ik iets vragen?………….