Maar zij.
Altijd zij.
Ik draaide me om en liep weg.
De weken daarna waren stil.
Pijnlijk stil.
Zeven jaar van mijn leven… opgelost in dozen, telefoontjes en geannuleerde afspraken.
Maar tussen het verdriet door zat iets anders.
Rust.
Voor het eerst in lange tijd hoefde ik mezelf niet kleiner te maken.
Mijn moeder haalde op een dag een kledinghoes uit haar kast.
Zonder iets te zeggen ritste ze hem open.
De smaragdgroene jurk.
Ik keek haar aan.
“Hij is nog steeds van jou,” zei ze zacht.
Deze keer twijfelde ik niet.
Ik trok hem aan.
En toen ik in de spiegel keek, zag ik niet wat ik verloren had.
Ik zag wat ik had teruggenomen.
Mezelf.