De nacht buiten de auto voelde anders dan alles wat daarvoor was geweest.
Niet meer zwaar.
Niet meer benauwend.
Maar scherp, alsof de lucht zelf opnieuw was ingedeeld.
De deuren van het huis verdwenen achter ons terwijl de auto wegreed. Geen schreeuw meer. Geen voetstappen. Alleen stilte die niet langer vijandig aanvoelde.
Gabriel Delmas zat naast me.
Hij zei niets meteen.
Hij keek alleen.
Alsof hij elk detail in mijn gezicht moest opslaan voordat hij iets anders kon doen.
“Adem rustig,” zei hij uiteindelijk.
Mijn hand lag nog steeds op mijn buik.
De pijn kwam in golven, maar de paniek was verdwenen. Dat was nieuw. Onwerkelijk bijna.
“Je blijft bij bewustzijn,” voegde hij eraan toe. “Goed zo.”
Zijn stem was kalm, maar niet afstandelijk.
Die kalmte hield me vast.
—
“Het is mijn fout,” fluisterde ik.
Hij draaide zich meteen naar me toe.
“Niet praten over schuld,” zei hij streng maar zacht. “Niet nu.”
Ik slikte.
“Hij… hij dacht dat hij alles mocht.”
Gabriel keek vooruit, door het raam.
“Dat is wat mensen doen die nooit consequenties hebben gezien,” zei hij.
Een korte stilte.
Toen: “Dat eindigt vanavond.”
Niet als dreiging.
Maar als feit.
—
De auto stopte voor het ziekenhuis.
Te fel licht.
Te witte muren.
Te veel geluiden ineens……………