Ik lag op de oude sofa in de kleine woonkamer van Thomas en Élise.
De veren prikten door de dunne stof heen, en toch had ik in jaren niet zo diep geslapen.
Niet omdat het comfortabel was.
Maar omdat ik me voor het eerst in lange tijd veilig voelde.
Ik hoorde hun stemmen uit de keuken komen. Ze dachten dat ik sliep.
“We hebben nog wat spaargeld,” fluisterde Élise. “Niet veel… maar misschien genoeg voor een paar weken eten.”
Thomas zuchtte. “En daarna?”
Er viel een stilte.
“Dan verkopen we de auto,” zei hij uiteindelijk. “Ik kan met de bus naar school.”
Mijn hart kneep samen.
“Maar dat is het enige wat we hebben,” zei Élise zacht.
“Ik weet het,” antwoordde hij. “Maar het is mijn moeder.”
Mijn moeder.
Niet die vrouw.
Niet die bedelares.
Mijn moeder.
Ik beet op mijn lip om geen geluid te maken terwijl de tranen over mijn wangen liepen. Deze twee mensen, die zelf nauwelijks rondkwamen, waren bereid hun laatste zekerheid op te offeren… voor mij.
De vrouw die hen jarenlang had neergekeken.
Die nacht sliep ik niet meer.
De volgende ochtend stond ik vroeg op. Élise maakte koffie met wat er nog was en zette een sneetje oud brood voor me neer.
“Het spijt me dat het niet veel is,” zei ze verontschuldigend.
Ik pakte haar hand. “Dit is meer dan genoeg.”
Ze glimlachte onzeker, alsof ze die woorden niet gewend was.
“Blijf zolang je wilt,” zei Thomas. “We redden ons wel.”
Dat was het moment waarop ik wist:
de test was voorbij.
Maar de les… die moest nog komen.
Rond het middaguur stopten er drie zwarte wagens voor het kleine huis.
Buren kwamen nieuwsgierig naar buiten. Gordijnen bewogen.
Thomas keek door het raam en werd lijkbleek.
“Wat is dit?”
Er klopte iemand op de deur. Geen harde klop. Beleefd. Zelfverzekerd………………