Even zei niemand iets.
Toen stak ik mijn hand uit.
“Mijn kaart.”
Mijn moeder aarzelde.
Voor het eerst.
Ze keek me aan, alsof ze probeerde te beslissen of ze nog controle had over deze situatie.
Maar dat moment was voorbij.
Langzaam legde ze de kaart in mijn hand.
Ik stopte hem rustig terug in mijn portefeuille en liep naar de gang.
Mijn zoon stond daar, klein, stil, wachtend.
“Gaan we nog?” vroeg hij zacht.
Ik hurkte voor hem neer.
“Ja,” zei ik. “Maar niet met hen.”
Hij fronste. “Waarom niet?”
Ik glimlachte een beetje.
“Omdat we ergens naartoe gaan waar we echt welkom zijn.”
Hij dacht even na.
“Is dat ook met een strand?”
“Misschien,” zei ik. “Of misschien iets nog leukers.”
Achter ons klonk de stem van mijn moeder, nu minder zeker:
“En wat denk je dan te doen? Alles opnieuw boeken? Zo last minute?”
Ik draaide me om, mijn zoon’s hand in de mijne.
“Ja,” zei ik simpel.
Mijn zus lachte kort. “En waarvan ga je dat betalen, zonder de kortingen en—”
Ik onderbrak haar niet.
Ik keek haar alleen aan.
Lang genoeg.
Zodat ze het zelf begreep.
Ik had alles betaald……………..