Ik sliep die nacht nauwelijks.
Niet omdat ik bang was voor wat er zou gebeuren.
Maar omdat alles wat ik dacht te weten plotseling anders leek.
Elise sliep uiteindelijk in een hoek van het grote bed, alsof ze zo weinig mogelijk ruimte wilde innemen. Af en toe schrok ze wakker van geluiden op de gang. Iedere keer keek ze angstig naar de deur voordat ze besefte waar ze was.
De volgende ochtend zaten we zwijgend tegenover elkaar tijdens het ontbijt.
Pas toen de ober vertrok, sprak ze.
« Je hoeft dit niet te doen, Milan. »
« Wat niet? »
« Blijven. »
Ik keek naar haar.
Voor het eerst sinds onze ontmoeting hield ze mijn blik vast.
« Misschien ben ik het zat om weg te lopen voor moeilijke dingen, » antwoordde ik.
Een kleine glimlach verscheen op haar gezicht.
Het was waarschijnlijk de eerste oprechte glimlach die ik haar ooit had zien geven.
Toen we terugkeerden naar Schiedam, wachtte meneer Van Alphen ons al op bij zijn villa.
Zijn glimlach was vriendelijk.
Zijn ogen niet.
« Hoe was jullie eerste nacht? » vroeg hij.
Ik voelde Elise verstijven naast me.
« Rustig, » zei ik.
Hij keek mij enkele seconden aan.
Alsof hij probeerde te bepalen hoeveel ik wist.
Daarna knikte hij tevreden.
« Mooi. Dan kunnen we ons richten op de toekomst. »
Maar vanaf dat moment begon ik op te letten.
Echt op te letten.
Op kantoor zag ik hoe medewerkers direct stilvielen zodra Van Alphen verscheen.
Hoe niemand hem ooit tegensprak.
Hoe mensen liever zwegen dan een discussie met hem aangingen.
Zelfs ervaren managers gedroegen zich nerveus in zijn aanwezigheid.
En ondertussen begon ik Elise beter te leren kennen.
Langzaam………….