Niet als mogelijkheid.
Maar als werkelijkheid.
Er groeide een kind.
Zijn kind.
En hij had al zeven maanden gemist.
« Mag ik… » begon hij voorzichtig.
Zijn stem brak.
« Mag ik ooit deel uitmaken van zijn leven? »
Adelaide keek hem lang aan.
Dit was de vraag die ertoe deed.
Niet of ze hem nog liefhad.
Niet of hij spijt had.
Maar of ze haar zoon ooit zou toestaan zijn vader te kennen.
Uiteindelijk antwoordde ze eerlijk.
« Dat hangt af van jou. »
Hij knipperde.
« Van mij? »
Ze knikte.
« Een vader zijn is niet iets wat je zegt. »
Een traan verscheen in zijn ooghoek.
« Het is iets wat je doet. »
De volgende ochtend werd Sophie ontslagen uit het ziekenhuis.
Haar arm zat in het gips.
Ze voelde zich alweer veel beter.
Voordat ze vertrok, gaf ze Adelaide een tekening.
Drie figuren stonden erop.
Een grote vrouw met een ronde buik.
Een klein meisje.
En een baby.
Bovenaan stond in kinderletters geschreven:
« Voor mijn favoriete dokter. »
Adelaide voelde haar ogen vochtig worden.
Sophie omhelsde haar stevig.
Toen keek ze plotseling naar haar vader.
« Papa? »
« Ja, prinses? »
« Wanneer komt de baby bij ons spelen? »
De kleur verdween opnieuw uit Elias’ gezicht.
Adelaide moest bijna lachen.
Sophie keek tussen hen heen en weer.
Volkomen onschuldig.
Toen sprak ze de woorden die alles veranderden.
« Want baby’s horen toch bij hun papa? »
De kamer werd stil.
Heel stil.
Elias keek naar Adelaide.
Niet met angst.
Niet met onzekerheid.
Maar met hoop.
Voor het eerst sinds zes maanden.
Adelaide keek naar de man die haar hart had gebroken.
Toen naar het slapende toekomstbeeld dat ze in haar buik droeg.
Misschien konden sommige fouten nooit worden uitgewist.
Maar misschien hoefde een gebroken verhaal niet altijd slecht te eindigen.
Elias pakte voorzichtig Sophies hand.
Zijn ogen bleven op Adelaide gericht.
« Ik ga nergens meer heen, » zei hij zacht.
En voor het eerst wist Adelaide niet zeker of die woorden te laat kwamen.