Drew bleef me aankijken alsof hij bang was dat ik elk moment kon instorten.
Maar ik stortte niet in.
Ik zat stil op de rand van het bed, mijn handen nog steeds rond de rand van de doos geklemd, terwijl mijn hoofd probeerde te begrijpen wat hij net had gezegd.
Lila stond in de deuropening.
Bewegingloos.
Alsof ze niet zeker wist of ze nog welkom was in deze kamer—of in dit leven.
—
“Dus…” zei ik uiteindelijk, mijn stem schor. “Jij hebt beslissingen genomen over mijn lichaam. Over mijn toekomst. Zonder mij.”
Drew slikte.
“Ja.”
Geen uitleg meer. Geen ontsnapping.
Alleen de waarheid.
Hard en kaal.
—
Ik keek naar de enveloppen in de doos.
Mijn handschrift.
Mijn hoop.
Mijn teleurstellingen.
Alles wat ik had geschreven en nooit had gekregen.
“En al die jaren…” fluisterde ik, “liet je me denken dat het voorbij was.”
Drew’s schouders zakten iets.
“Ik dacht dat ik je beschermde.”
Ik lachte kort.
Zonder humor.
“Je hebt me niet beschermd, Drew. Je hebt me buitengesloten.”
—
Er viel een lange stilte.
Lila deed eindelijk een stap naar voren.
“Het was mijn fout,” zei ze zacht.
Mijn blik schoot naar haar.
Ze hield stand.
Niet uitdagend. Niet defensief.
Maar moe.
Diepe, oude vermoeidheid.
“Wat ik destijds heb gedaan… had gevolgen. Ik had niet meer mogen werken met patiënten. Maar Drew vond me voordat alles volledig instortte. Hij gaf me een kans om iets goed te maken.”
—
Ik keek haar aan.
“En jij dacht dat dit goedmaken was? In mijn huis wonen? Achter mijn rug werken?……………