Hij aarzelde.
Maar deed het.
Bankafschriften.
Data.
Afwezigheden.
Patronen.
Geen beschuldigingen.
Alleen waarheid.
Zijn gezicht veranderde langzaam.
Niet dramatisch.
Maar zichtbaar.
Zoals iemand die beseft dat het spel voorbij is.
“Camille, ik kan dit uitleggen—”
Ze schudde licht haar hoofd.
“Dat hoeft niet.”
Die woorden raakten harder dan elk verwijt.
“Want ik ga niet blijven luisteren.”
Hij zette een stap naar haar toe.
Maar ze stond al op.
“Je dacht dat ik niets zag,” zei ze. “Dat ik niets begreep.”
Ze pakte haar jas.
“Maar ik koos ervoor om het niet te zien.”
Ze keek hem nog één keer aan.
“Dat doe ik niet meer.”
Hij probeerde nog iets te zeggen.
Maar er was niets meer dat werkte.
Geen charme.
Geen excuses.
Geen controle.
Camille liep naar de deur.
Opende die.
En stopte even.
Niet om te twijfelen.
Maar om het moment te markeren.
“Jullie mogen elkaar houden,” zei ze rustig. “Maar niet meer op mijn kosten.”
En toen ging ze weg.
Buiten was de regen gestopt.
De lucht was helder.
Lichter dan de dag ervoor.
Camille haalde diep adem.
Voor het eerst voelde ze geen leegte.
Maar ruimte.
Ruimte om opnieuw te kiezen.
Niet voor anderen.
Niet voor een rol.
Maar voor zichzelf.
En dat…
dat was iets wat geen van hen had zien aankomen.