Kenneth staarde naar de envelop alsof die elk moment kon ontploffen.
Met trillende vingers trok hij het document eruit. Zijn ogen gleden over de eerste regels en zijn gezicht werd lijkbleek.
« Wat is dat? » vroeg Sylvia scherp.
Hij slikte moeizaam.
« Het is… een officiële kennisgeving. »
Susan bleef rustig staan. Haar stem was zacht, maar elke lettergreep droeg gewicht.
« Jullie hebben zestig dagen om het appartement te verlaten. »
De stilte die volgde was verstikkend.
Zelfs de kinderen keken verbaasd op.
Sylvia lachte kort, alsof ze dacht dat het een slechte grap was.
« Je meent dat niet. »
« Ik meen het wel, » antwoordde Susan.
« Je kunt ons er niet zomaar uitzetten! » riep Sylvia.
« Volgens mijn advocaat kan dat wel. Ik ben de enige eigenaar van dit appartement. Dat ben ik altijd geweest. »
Kenneth liet zijn hoofd zakken.
Hij wist dat ze de waarheid sprak.
Jarenlang had hij zichzelf wijsgemaakt dat de woning uiteindelijk toch van hem zou worden. Dat zijn moeder altijd zou blijven geven, blijven vergeven en blijven wachten.
Maar nu zag hij iets wat hij nog nooit eerder in haar ogen had gezien.
Vastberadenheid.
Geen woede.
Geen verdriet.
Alleen duidelijkheid.
« Maar waar moeten we heen? » vroeg Sylvia.
Susan keek haar aan.
« Dat is dezelfde vraag die ik mezelf stelde toen je besloot mijn slaapkamer af te nemen. »
Sylvia wilde iets terugzeggen, maar er kwamen geen woorden.
Voor het eerst voelde ze de gevolgen van haar eigen gedrag.
Die avond was de sfeer in huis ijskoud.
Kenneth zat urenlang alleen in de woonkamer.
De kinderen waren naar bed gegaan.
Sylvia liep boos heen en weer door de keuken.
« Je laat dit gewoon gebeuren? » beet ze hem toe.
Kenneth antwoordde niet meteen.
Na een lange stilte zei hij:
« Misschien hebben we dit verdiend………….