De maatschappelijk werkster onderzocht de jongen snel.
Zijn polsen vertoonden afdrukken, maar er waren geen ernstige verwondingen.
‘Lucas, waarom bond je oma je handen vast?’
De jongen fluisterde:
‘Omdat ik anders naar het raam zou lopen.’
‘Waarom zou je naar het raam lopen?’
‘Omdat papa me roept.’
De agent keek naar Margaret.
‘Hoort u hem ook?’
Ze barstte in tranen uit.
‘Nee.’
‘Dus waarom geloofde u hem?’
Margaret antwoordde:
‘Omdat ik ooit iets zag.’
Ze stond langzaam op.
‘Twee weken geleden werd Lucas midden in de nacht wakker. Hij liep naar het raam alsof hij niet wist waar hij was.’
‘En?’
‘Ik trok hem terug.’
Ze slikte.
‘Toen wees hij naar buiten.’
‘Wat zag hij?’
Margaret fluisterde:
‘Een licht.’
De agent keek naar het raam.
Buiten was het donker.
‘Wat voor licht?’
‘Een klein rood lampje.’
De maatschappelijk werkster keek naar de straat.
‘Daar is niets.’
Margaret liep naar een kastje naast het bed en haalde een oude verrekijker tevoorschijn.
‘Kijk.’
De agent nam hem aan.
Hij richtte hem op het huis aan de overkant.
Op de tweede verdieping zat een klein rood licht.
Hij verstijfde.
‘Wie woont daar?’
Margaret antwoordde:
‘Niemand.’
De agent keek opnieuw.
Het licht ging uit.
Toen sprong het weer aan.
Een keer.
Twee keer.
Drie keer.
Lucas begon te trillen.
‘Dat is hij.’
De agent draaide zich naar de jongen.
‘Wie?’
Lucas wees.
‘De man die papa nadeed.’
De kamer werd ijskoud.
‘Wat bedoel je?’
Lucas zei zacht:
‘Hij praatte door het raam.’
De lerares keek naar Margaret.
‘Wanneer begon dit?’
‘Ongeveer een maand geleden.’
‘Waarom hebt u de politie niet gebeld?’
Margaret veegde haar tranen weg.
‘Omdat ik dacht dat niemand me zou geloven.’
De agent liep naar het raam.
Toen zag hij iets op de vensterbank.
Een klein apparaatje.
Een draadloze luidspreker.
Hij pakte het voorzichtig op.
‘Dit verklaart misschien hoe iemand Lucas’ aandacht kreeg.’
De maatschappelijk werkster vroeg:
‘Zat dit hier al?’
Margaret knikte.
‘Ik dacht dat het een oude babyfoon was.’
De agent keek naar het apparaat.
‘Er zit geen batterij in.’
‘Wat?’
Hij draaide het om.
Een dunne draad liep naar een gat in de muur.
De agent keek naar de muur.
‘Deze kamer is ooit verbouwd.’
Hij begon verder te zoeken.
Achter een loszittend paneel vonden ze een kleine elektronische installatie.
Geen oude babyfoon.
Het was een apparaat dat geluid op afstand kon afspelen.
De politie nam het in beslag.
Maar er was nog iets.
Een microfoon.
Verborgen boven het raam.
De agent keek naar Margaret.
‘Heeft iemand toegang tot dit huis gehad?’
‘Alleen ik en mijn kleinzoon.’
Toen keek iedereen naar elkaar.
Lucas fluisterde:
‘De man kwam toen oma sliep.’
De lerares ging naast hem zitten.
‘Heb je hem gezien?’
Lucas schudde zijn hoofd.
‘Alleen zijn schaduw.’
‘Hoe wist je dat het een man was?’
‘Hij zei dat hij wist waar papa was.’
De maatschappelijk werkster vroeg:
‘Wat zei hij precies?’
Lucas antwoordde:
‘Dat papa boos was omdat ik hem vergeten was.’
Margaret begon opnieuw te huilen.
‘Dat is waarom ik zijn handen vastbond.’
De agent keek haar verbaasd aan.
‘U dacht dat u hem beschermde?’
‘Ja.’
‘Maar waarom bleef u hem dan elke nacht vastbinden?’
Margaret antwoordde:
‘Omdat iemand hem telkens naar het raam probeerde te lokken.’
Toen kwam er plotseling een geluid uit de gang.
Een zachte tik.
Iedereen keek om.
Nog een tik.
De agent trok zijn zaklamp.
‘Blijf hier.’
Hij liep de gang in.
De voordeur was nog steeds dicht.
Maar aan de binnenkant van het raam stond een klein rood lampje te knipperen.
De agent deed het gordijn open.
Op straat stond niemand.
Toen zag hij een donkere auto langzaam wegrijden.
Hij noteerde het kenteken.
‘We hebben iemand.’
Margaret keek opgelucht.
Maar Lucas keek niet naar de auto.
Hij keek naar de grond naast het bed.
‘Oma?’
‘Ja, lieverd?’
‘Je hebt me verteld dat papa dood is.’
Margaret knikte.
‘Dat is hij.’
Lucas wees naar een oude doos onder het bed.
‘Waarom heb je dan zijn telefoon nog?’
Margaret verstijfde.
De lerares keek haar aan.
‘Zijn telefoon?’
Margaret knielde langzaam neer.
Ze trok de doos onder het bed vandaan.
Daarin lag inderdaad een oude mobiele telefoon.
De agent pakte hem op.
Het scherm ging onverwacht aan.
Er stond één nieuw bericht.
“Laat Lucas vannacht alleen.”
Iedereen zweeg.
De afzender was opgeslagen onder één naam:
Papa.
De agent keek naar Margaret.
‘Wie heeft dit nummer?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Dat nummer hoorde bij mijn zoon.’
‘Wanneer is hij overleden?’
‘Zeven maanden geleden.’
De agent keek naar het bericht.
‘Dit is vandaag verzonden.’
Margaret werd lijkbleek.
Lucas trok de mouw van zijn lerares vast.
‘Ik zei toch dat papa daar was.’
De agent keek naar het open raam.
Toen naar de donkere straat.
En voor het eerst die avond begreep iedereen dat het vastbinden van Lucas misschien niet het echte gevaar was.
Iemand gebruikte de herinnering aan zijn overleden vader om een zevenjarig kind naar het raam te lokken.
En die persoon wist precies wanneer Margaret alleen thuis was.