Toen — het paard, dat tot dan toe slechts toekeek, zakte door zijn knieën, stootte met zijn neus tegen de omheining en viel te midden van de kabaal. Met een zwaai van zijn hals brak hij een plank los van de omheining, die los de aarde in ketste. Zijn hoeven stampen op de grond, hij hinnikte luid, een geluid dat door merg en been ging.
Dat gehinnik bracht iets in de man in het pak naar boven: een herinnering, een stukje kwetsbaarheid. Zijn gestalte kromp, zijn knieën begonnen te schokken. Hij zag het meisje spartelen, hoorde haar moeite om lucht te krijgen. Hij zag het paard, groot, wit met donkere manen, zijn ogen vol medelijden.
Hij liet de riem vallen, liet de roeispanen neerkomen, en slofte naar de oever van de boot. Hij bukte, voerde zijn knieën naar de planken, gleed overboord, met zwiepend pak dat druppels gooide. Hij zwom kruipend, armen roerend door het koude water, naar het meisje, dat inmiddels bijna bewusteloos leek — de teddybeer gedreven, haar rolstoel ver weg drijvend…..
