Maar plotseling, uit de rivier, klonk een geluid — een zwak, piepend gegorgel, gevolgd door zacht gebrabbel. Het meisje, half bedekt door het opduikende water, klampte zich vast aan een tak van het oude wilgenbos dat over het water boog. De tak brak niet, maar boog gevaarlijk, gierend alsof hij elk moment zou bezwijken.
De man in de boot sloeg met zijn riem om zich heen, maakte aanstalten om in het water te springen — maar iets hield hem tegen. Zijn gezicht vertrok in pijn, alsof hij vocht tussen iets wat hij wilde en iets wat hij niet durfde.
Iemand uit de menigte schreeuwde: “Laat ons haar helpen!” Twee sterke mannen sprongen de rivier in, de één met jas aan, de ander zonder. Het koude water sloeg tegen hun borst, hun ademwolken vervlochten zich met de mist boven de stroom.
Het meisje’s hand slipte van de tak, haar kleding zwaar van het water. Haar ogen waren wijd open, gevuld met paniek, haar teddybeer kwam los drijvend in de stroming niet ver van haar af. Ze kreunde, haar stem een dunne, trillende lijn in de chaos……
