De rivier was diep en koud, het water gevaarlijk kil tegen de huid, als een waarschuwende fluistering. Toen het meisje verdween onder het oppervlak, kwam het koude schokachtig tegen haar longen. De rolstoel kabbelde verder, als aangespoeld afval, terwijl ze worstelde om boven te blijven.
De man in het dure pak bleef op de roeiboot staan, alsof hij iets moest bewijzen. Zijn gezicht was kaal geschoren, zijn ogen glinsterden met een harde, bijna emotieloze vastberadenheid. Hij keek naar de plek waar het meisje was verdwenen, maar zijn lippen bewogen niet — er kwam geen roep, geen adem.
Aan de oever schreeuwden mensen en renden zijwaarts. De boerderij met het omheinde terrein viel stil; het paard stond stokstijf, zijn grote oren geprikt, zijn adem zwaar. De bomen ritselden in de wind, alsof zij getuigen waren van iets monsteraars…….
