De regen sloeg als dunne vingers tegen de ramen toen Linh dichter bij de deur kwam. Achter het hout klonk zacht gefluister. Soms hoorde ze een vrouwenstem — breekbaar, bibberend — en dan weer de lage stem van haar man. Geen woorden die ze kon onderscheiden, slechts het ritme van een gesprek dat niet bedoeld was om te worden gehoord.
Haar adem ging snel, maar ze bleef stil. Haar vingers rustten op het koude metaal van de klink. Ze aarzelde, maar boog zich toen voorover en keek door de smalle kier tussen deur en kozijn.
Binnen zag ze haar schoonmoeder rechtop in bed zitten, bleek en klein onder een stapel dekens. Nam zat aan haar zijde, zijn hand stevig om de hare geklemd. Zijn ogen waren vochtig, zijn gezicht bleek. Er hing geen spanning van schuld of verraad — maar van verdriet. Diepe, vermoeide droefheid.
“Rustig, mama,” hoorde Linh hem fluisteren. “Het is maar een droom. Papa is niet boos. Je bent veilig.”
Thu snikte zacht, als een kind. “Hij staat bij de deur… hij kijkt weer, Nam. Hij zegt dat ik hem heb laten vallen. Dat het mijn schuld was……
