Niet letterlijk natuurlijk – geen stemmen – maar de stilte had een soort leven.
De vloer kraakte op plekken waar ik niet liep.
Een tocht waaide onder deuren die ik gesloten wist.
En dan was er dat ene kamertje op zolder.
Het was klein, nauwelijks groter dan een kast, en zat op slot toen ik het huis kocht.
De makelaar had me verzekerd dat de sleutel zoek was.
“Gewoon opslagruimte,” had hij gezegd.
Toch voelde ik elke keer, als ik langs de deur liep, een koude rilling over mijn rug glijden.
Na drie dagen besloot ik de deur open te maken.
Ik vond een oude, verroeste sleutel in een lade in de keuken.
Toen ik hem voorzichtig in het slot stak, kraakte het mechanisme alsof het jaren niet was bewogen.
De deur ging open met een zucht – een ademhaling uit het verleden.
Binnen stond een kleine houten stoel.
Daarop lag een boek. Geen stof, geen spinnenwebben – alsof iemand het gisteren had neergelegd.
Het was een dagboek, met de naam “E. Van Laar” op de binnenkant van de kaft.
Ik ging op de vloer zitten en begon te lezen.
De eerste pagina’s waren onschuldig – dagelijkse notities over het weer, over thee en tuinieren……..
