Ze keek me aan, nerveus glimlachend. “Misschien zit ze in mijn andere tas…”
Ik knikte beleefd. “Geen probleem, mevrouw, ik kan even wachten.”
Achter haar begon de rij klanten ongeduldig te zuchten.
Ze draaide zich om naar haar dochter. “Schat, heb jij mijn kaart misschien gepakt?”
Het meisje keek verlegen naar de grond. “Nee, mama. Ik denk dat je ze bij de parkeerautomaat hebt laten liggen.”
De vrouw verstijfde. “Wat?!” Ze keek me aan, zichtbaar beschaamd.
“Maakt u zich geen zorgen,” zei ik vriendelijk. “U kunt uw boodschappen even laten staan. Als u terugkomt, zal alles hier klaar zijn.”
Maar ze keek naar de lange rij klanten en merkte de blikken. Dezelfde mensen die net haar arrogante toon hadden gehoord, zagen nu hoe ze zich schaamde.
Een oudere man achter haar zei zacht maar duidelijk:
“Misschien had u wat vriendelijker moeten zijn tegen iemand die wél zijn werk doet.”
De vrouw bloosde fel. Ze mompelde iets onverstaanbaars, pakte haar tas en liep haastig naar buiten. Haar kinderen volgden haar stilletjes.
De sfeer bij de kassa veranderde onmiddellijk. De volgende klant, een jonge vrouw, glimlachte naar me.
“Wat een dag, hè?” zei ze.
Ik knikte, opgelucht dat het voorbij was. “Ja, sommige dagen zijn wat zwaarder dan andere.”
Ze keek me vriendelijk aan. “Je hebt dat heel goed gedaan. Ik weet niet of ik zo kalm had kunnen blijven…….