Ze keek me aan, en voor een seconde leek haar blik zachter te worden — maar toen trok ze zich terug. “Ik kan dit niet. Ik dacht dat ik klaar was om iemand nieuw te vertrouwen, maar… blijkbaar niet.”
Ze draaide zich om en liep weg, haar schaatsen nog bungelend over haar schouder.
Ik bleef daar staan, in de koude schemering van het park, en keek haar na tot ze verdween in de menigte.
De dagen erna waren ondraaglijk. Op kantoor vermeed ze me. Geen glimlach, geen begroeting. Alsof die date nooit had plaatsgevonden. Collega’s merkten de spanning, maar niemand durfde iets te zeggen.
Ik probeerde afstand te houden, maar mijn gedachten gingen steeds terug naar die avond. Wat als ik het gewoon liet rusten? Wat als ik haar verloor door niets te zeggen?
Dus besloot ik een brief te schrijven. Geen e-mail — een echte brief, handgeschreven. Ik legde alles uit: over Lena, over wat er werkelijk gebeurde, over mijn gevoelens. En ik eindigde met:
> “Je hoeft me niet meteen te geloven. Maar ik zal blijven bewijzen dat ik anders ben dan hij.”
Ik liet de brief op haar bureau liggen toen ze even weg was.
Die middag kreeg ik geen reactie. Niet die dag, niet de volgende. Totdat ik op vrijdagavond het kantoor wilde verlaten en haar bij de uitgang zag staan………..