Wat… wat bedoel je, Claire?” vroeg ik, mijn stem trillerig van verwarring. “Wat heb je gezien?”
Ze keek me aan met ogen die ik nauwelijks herkende — koud, vol woede, en ergens daarachter… verdriet. “Doe niet alsof,” siste ze. “Je dacht zeker dat ik het nooit zou ontdekken.”
Ik stond daar, met mijn handen nog in mijn jaszakken, de koude lucht prikte in mijn wangen. “Claire, ik heb geen idee waar je het over hebt.”
Ze kneep haar ogen samen. “Vorige week, na het werk. Je stond bij de parkeerplaats. Met háár.”
Mijn maag trok samen. “Met wie?”
“De receptioniste! Die blonde.” Haar stem trilde. “Ik zag hoe je haar aanraakte.”
Toen begreep ik het. Ze bedoelde Lena, onze receptioniste. Maar wat Claire had gezien, was totaal verkeerd begrepen. “Claire… ze was aan het huilen. Haar hond was net overleden. Ik probeerde haar te troosten.”
Ze schudde haar hoofd, tranen in haar ogen. “Je hield haar hand vast!”
Ik haalde diep adem, probeerde kalm te blijven. “Omdat ze beefde van het huilen. Claire, ik zweer het — er is niets tussen ons.”
Ze keek weg, haar adem vormde wolkjes in de koude lucht. “Je klinkt precies als mijn ex,” fluisterde ze.
Plotseling begreep ik waarom ze zo reageerde. De wonden van haar vorige relatie waren nog open. Haar ex had haar bedrogen, meer dan eens. Ze vertrouwde niemand meer echt.
Ik stapte dichterbij, voorzichtig. “Claire, ik weet dat je pijn hebt. Maar ik ben niet hem…….