Mijn hart sloeg over.
“Thomas!” riep ik.
Ik vond hem buiten, zittend op het bankje bij de appelboom van mijn vader. Zijn hoofd in zijn handen.
“Ik kan dit niet,” zei hij zacht. “Er klopt iets niet aan dit huis.”
Ik ging naast hem zitten. “Wat bedoel je?”
Hij keek me aan, zijn ogen vol verwarring. “Ik was net in de gang. Er hing een foto van jouw ouders. Maar de vrouw op de foto… dat is niet degene die ik vanmorgen aan tafel zag.”
“Wat?”
Hij haalde diep adem. “De vrouw op de foto is ouder, haar gezicht anders. Wie zat er dan vanmorgen tegenover me?”
Mijn maag draaide om. Ik liep naar binnen en keek naar de foto aan de muur. Het was een oude familiefoto, genomen een paar jaar voor mijn moeder ziek werd. Ze zag er inderdaad anders uit — zwakker, ouder.
Maar toen ik de woonkamer inliep, hoorde ik haar stem uit de keuken. Ze praatte zacht met mijn vader. Alles klonk normaal. Toch voelde de lucht zwaar, alsof er iets niet klopte.
—
De volgende ochtend vertelde ik mijn moeder wat er gebeurd was. Ze lachte zacht. “Ach, die jongen is gewoon nerveus voor de bruiloft. Hij droomt waarschijnlijk vreemd.”
Ik knikte, maar ergens in mij groeide de twijfel.
Toen ik die avond onze koffers inpakte om te vertrekken, vond ik iets op mijn nachtkastje: een oude foto. Mijn moeder, jong, met iemand die ik niet kende. Achterop stond in haar handschrift:
“Voor altijd bij mij – tot de nacht ons scheidt.”
Ik voelde een koude rilling over mijn rug.
—
We vertrokken vroeg de volgende ochtend. Thomas keek geen enkele keer meer achterom. Toen we de straat uitreden, fluisterde hij:
“Je weet dat ik niet terugga, toch?”
Ik keek uit het raam, naar het huis waar ik was opgegroeid — het huis dat plots niet meer zo vertrouwd voelde. En daar, bij het raam van mijn oude kamer, dacht ik even een schim te zien bewegen.
Ik knipperde, maar het was weg.
Of misschien wilde ik gewoon niet wéten wat ik zag.