Die avond at ik alleen. Een boterham met kaas. Hij keek televisie en zei niets meer.
De dagen daarna probeerde ik het gesprek opnieuw aan te gaan. Ik wilde weten waarom hij zo had gereageerd, waarom hij zo afstandelijk was geworden. Maar elke keer wimpelde hij me af. “Je overdrijft,” zei hij. Of: “Het was maar eten.”
Maar het was niet maar eten. Het was respect. Aandacht. Liefde.
Een week later vond ik mezelf terug aan de keukentafel met een notitieboekje en een pen. Ik schreef alles op. Niet alleen over de kip, maar over de vele momenten waarin ik me klein had gevoeld, genegeerd, of als vanzelfsprekend genomen.
De realiteit sloeg in als een mokerslag: dit was niet één moment. Dit was een patroon……
