De stewardess kwam weer langs, deze keer met een glas water voor haar. “Als u niet stopt met uw buren lastig te vallen, moeten we een melding maken, mevrouw.”
Karen snoof. “Ik heb rechten! En ik ga klagen bij de piloot.”
En dat deed ze dus ook. Ze drukte op de knop, wachtte tot de stewardess kwam, en zei: “Ik wil met de kapitein spreken. Nu.”
De stewardess glimlachte beleefd, noteerde iets op haar tablet en liep verder.
De rest van de vlucht verliep — hoe zal ik het zeggen — gespannen. Ze bleef mompelen, zuchten, de stoel voor haar duwen, en zelfs op mijn armleuning leunen alsof het van haar was. De vrouw aan het raam had haar dekentje over haar hoofd getrokken en deed alsof ze sliep.
Eindelijk, na acht eindeloze uren, klonk de stem van de piloot:
> “Dames en heren, welkom in Amsterdam. We verzoeken u aan boord te blijven tot het lampje van de veiligheidsgordel uit is.”
Nog voordat het lampje doofde, klik, maakte Karen haar riem los, greep haar tas en stoof naar voren. Ze duwde letterlijk een gezin met kleine kinderen opzij en riep: “Ik heb haast, ik moet als eerste eruit!”
De rest van ons keek haar verbaasd na. De stewardessen riepen dat iedereen moest blijven zitten, maar zij bleef doorgaan. Ze stond al bij de cockpitdeur toen de piloot zijn microfoon weer aanzette……….
