Mijn hart bonsde terwijl ik de trap opliep, met Berta rustig achter me aan. De sleutel gleed soepel in het slot. De deur kraakte open, en daar — op de bovenste plank — lag een houten kistje met mijn naam erop.
Binnenin vond ik een envelop met mijn naam in sierlijke letters, een oude foto van ons tweeën in de tuin, en een bundeltje spaargeld — niet veel, maar met zorg bewaard.
Op het briefje stond nog één zin:
> “Alles wat ik nog had, is nu van jou. Zorg goed voor Berta… en voor jezelf.”
Ik moest gaan zitten. De tranen stroomden, maar het waren geen tranen van verdriet meer. Het was alsof oma me nog één laatste keer had omhelsd — zacht, warm en vol betekenis.
Toen ik later die avond op de veranda zat, met Berta naast me, hoorde ik het zachte kraken van de oude schommelstoel in de wind.
Ik glimlachte.
Ze was er nog — op haar eigen manier.