Jour 1

 

Verbijsterd stond ik op. Ik riep de hond, maar hij rende meteen weg, alsof hij me wilde zeggen dat ik hem moest volgen. Zonder na te denken ging ik achter hem aan. We renden zeker twintig minuten door, tot we de rand van het bos aan de overkant van de wijk bereikten. Daar, verscholen tussen de bomen, doemde een oude houten hut op.

 

Met trillende handen liep ik dichterbij. Mijn hart bonsde zo hard dat ik het in mijn keel voelde. Voor de deur bleef ik even staan, haalde diep adem, en duwde het hout langzaam open.

 

Binnen was het donker, op een straaltje licht na dat door een kleine raamopening viel. De geur van oud hout en vocht hing in de lucht. Ik zette aarzelende stappen naar binnen en zag plots dingen verspreid liggen die ik maar al te goed herkende: een rugzak, een versleten paar wandelschoenen, en het notitieboekje dat mijn man altijd meenam tijdens zijn tochten.

 

Mijn stem trilde terwijl ik riep:

– “Is daar iemand?!”

 

Enkele seconden bleef het stil. Alleen de wind liet het raam kraken. Toen hoorde ik zachte bewegingen vanuit de achterkamer. Ik duwde de deur open… en mijn adem stokte.

 

Daar zat een man, mager, met een lange baard en vermoeide ogen. Maar hij was geen vreemdeling. Hij was mijn man……

lees meer op de volgende pagina

Laisser un commentaire