Ze knikte. “Alles is veilig. Uw spullen zijn hier.” Ze legde mijn versleten leren tas naast me. Mijn handen trilden toen ik hem opendeed. Daar, tussen de papieren, lag de brief — haar laatste woorden voor mijn vertrek:
‘Ik hoop dat we elkaar nog één keer kunnen zien. Voor het te laat is.’
De ironie sneed door mijn hart. Te laat. Dat was het bijna geworden.
Twee dagen later, nog zwak maar vastbesloten, stond ik buiten het ziekenhuis. Een taxi bracht me naar het adres dat ik tientallen keren had gelezen. Een klein huisje aan zee, omringd door lavendelstruiken. De lucht rook naar zout en herinneringen.
Ik klopte. Geen antwoord. Nog eens.
Toen ging de deur langzaam open……..
