Mijn keel voelde droog; ik wilde schreeuwen, de beelden stoppen, verdwalen. Maar iets in mij hield me vast: ik moest weten wat dit was, waarom deze vrouw hier was, waarom Eric niet was wat men me had verteld.
Ze fluisterde zijn naam. Ik kon haar woorden niet verstaan. Hij leunde voorover en drukte de doos tegen zijn borst. Haar hand raakte kort zijn wang – teder, niet agressief – en hij sloot zijn ogen. Toen draaide hij zich om, stapte uit bed zonder hulp – zijn benen stevig, zijn rug recht.
Nog steeds hield ik me muisstil. Tranen glinsterden in mijn ogen, maar ik knipperde ze weg. Was dit magie? Was hij in staat tot iets buitenmenselijks? De kamer voelde kleiner, opgeladen met spanning.
De vrouw gebaarde dat ik moest wegkijken. Eric knikte. Alsof hun afspraak al eerder gemaakt was, vóór de dokters, vóór het lijden. Ze fluisterde iets in zijn oor, iets dat ik niet hoorde, iets dat rillingen door mijn ruggengraat stuurde.
Plotseling voelde ik een schaduw achter me – een zachte voetstap. De camera ving dat op, maar ik had geen idee wie het was. Mijn adem stokte. De vrouw in de jas draaide zich om, keek richting de deur, haar ogen scherp – ze zag iets. Ze zag iemand. Ze riep iets in een lage stem. Eric draaide zich mee. Er stond iemand in de deuropening. Mijn zus, haar gezicht wit, haar lippen bevend……
