Zes jaar lang had ik alles gegeven. Ik had mama gewassen, haar eten gegeven, haar medicijnen gehaald, haar hand vastgehouden tijdens eindeloze nachten waarin de pijn haar wakker hield. Mijn leven draaide niet meer om mij, maar om haar. En dat deed ik zonder klagen — ze was mijn moeder, mijn alles.
Artiem, mijn broer, kwam alleen opdagen wanneer het hem uitkwam. Hij bleef nooit langer dan een kwartier. Hij bracht bloemen, zei “laat me weten als je iets nodig hebt”, en verdween weer alsof hij een drukke agenda had die belangrijker was dan onze moeder. Maar mama glimlachte altijd wanneer hij even langskwam. Ze hield van ons allebei, zelfs als de balans tussen geven en ontvangen totaal scheef stond.
Toen ze overleed, voelde het alsof de wereld stilstond. Ik had haar hand vast toen ze haar laatste adem uitblies, en ik wist dat niets ooit nog hetzelfde zou zijn. Ik kreeg nauwelijks de kans om te rouwen. De stilte in huis was ondraaglijk, alsof de muren zelf waren vergeten hoe ze warmte moesten vasthouden………
