Ik nam contact op met de klantenservice van de supermarkt. De medewerker aan de lijn klonk beleefd, maar afstandelijk.
“Dank u voor uw melding, meneer. We zullen dit intern onderzoeken. Gooi het product niet weg. Een medewerker zal het komen ophalen.”
Diezelfde avond, rond acht uur, stopte er een bestelwagen voor mijn deur. Geen logo, geen bedrijfsnaam. Een man met een blauwe jas stapte uit en vroeg vriendelijk:
“U bent degene met de USB-stick, klopt dat?”
Ik aarzelde. “Ja… van die worst. Wie bent u precies?”
Hij glimlachte kort. “Wij werken samen met de fabrikant. U hoeft zich geen zorgen te maken. We nemen het mee voor onderzoek.”
Zijn glimlach bereikte zijn ogen niet. Toch gaf ik hem de stick, opgelucht dat het eindelijk voorbij was.
Maar toen ik de deur sloot, hoorde ik nog net hoe hij in zijn telefoon fluisterde:
“Eén exemplaar is gevonden. We moeten de rest terugroepen, nu.”
Ik bleef in de gang staan, mijn hand nog op de deurklink. Een onbehaaglijk gevoel kroop over me heen. Misschien had ik het beter niet onderzocht. Misschien had ik die worst gewoon moeten opeten en alles vergeten.
De volgende dag was de worst verdwenen uit de schappen. En op de website van NormaFood stond plots:
“Tijdelijk gesloten wegens onderhoud.”
Ik heb de video nooit meer teruggezien.
Maar soms, wanneer ik een blik op mijn laptop werp, hoor ik in gedachten nog steeds die stem fluisteren: