“Je… je denkt dat Isla—?”
“Nee, nee,” zei ze, haar ogen glanzend. “Maar kijk toch. Haar lach, haar ogen… Soms komen zielen terug, in nieuwe vormen.”
Ik voelde de grond onder me verdwijnen. “Je bent ziek,” fluisterde ik. “Waar is mijn dochter?”
Delphine keek naar de hoek van de kamer. Daar stond een kleine houten kist, halfopen. Iets in mij weigerde te bewegen.
Tot Isla’s stem klonk, achter me.
“Mama?”
Ik draaide me om. Ze stond daar, veilig, met een dekentje om haar schouders.
“Delphine zei dat we een spelletje deden,” zei ze. “Dat ik haar dochter mocht zijn voor even.”
Ik rende naar haar toe, trok haar tegen me aan. “Ga naar je kamer, liefje.”
Ze gehoorzaamde zonder iets te zeggen.
Toen ik me weer naar Delphine draaide, stond ze op.
“Je begrijpt het niet,” zei ze. “Ik wilde alleen even voelen hoe het was. Een kind in huis, iemand om voor te zorgen. Jij had wat ik kwijtgeraakt ben……
